archiveren

Maandelijks archief: juni 2012

Bodemstructuur en bemesting

Wat wordt bedoeld met structuren: Veel voorkomende soorten zijn :

Zandgrond = snel uitspoelbare gronden die makkelijk hun nutriënten verliezen. Doorgaans arme bodems. (Korrelgrootte is maximaal 2 mm).
Leemgrond = door de fijnere structuur van opbouw klontert de grond sneller samen. Deze gronden zijn in België vooral in het Brussels gewest en in het Groot Hertogdom terug te vinden.(Korrelgrootte is maximaal 0,05 mm).

Kleigrond = water dringt slecht door de kleilaag, waardoor plassen aan het oppervlak blijven liggen. Deze grond heeft een goede waterbuffer en is rijk aan silicaten. (Korrelgrootte is maximaal 0,002 mm).
Slibgrond = licht uitspoelbaar, weinig interessant door mogelijke vervuiling industrie. (Korrelgrootte is afhankelijk van terugwinning).

Vele gronden lenen zich niet altijd tot de juiste samenstelling die we eigenlijk nodig hebben.

Daarom voegen we de nodige voedingsstoffen toe, om de bodem te optimaliseren.

Alvorens enige gift toe te passen van mest of andere elementen is het aan te raden een bodemanalyse te laten verrichten. Dit om beter te kunnen ‘inspelen’ op de eventuele benodigdheden van je bodem.

De meest belangrijke factoren zijn:

De pH-waarden ofwel ook zuurtegraad genoemd.
De nutriëntenwaarden (met als de meest belangrijke : N,P,K,Mg,Ca,….). Doorlaatbaarheid : afwatering (drainage) + vochthuishouding.

De zuurtegraad: de optimale zuurtegraad is in de eerste instantie afhankelijk van de plant of groente die je wil aanplanten en of verbouwen. De neutrale bodem bij uitstek heeft een pH waarde van 6,5.
Doch, wanneer je een meting laat verrichten en de waarde zich bevind tussen pH 5.5 en pH 7.5, is dit nog enigszins te aanvaarden. Wanneer je bodem toch te zuur is, kan je altijd een bekalking toepassen om de zuurtegraad te stabiliseren. Echter wel opletten dat dit bij grote afwijkingen een jarenplan kan betekenen. (Wat wil zeggen dat je je pH niet onmiddellijk kan rechtzetten bij grote schommelingen !).

Te hoge pH-waarden leiden tot gebreken: Tekorten doen zich voor zoals molybdeen, magnesium, fosfor.
Uitspoeling van magnesium en kalium. geeft dikwijls een teveel aan mangaan.

Te lage pH-waarden leiden tot gebreken:
Gebrek van ijzer, zink, koper, boor, mangaan, e.d..
Gevolg : humuswaarden zakken zeer snel, vooral in uitspoelbare bodems. (Zandgronden).

Welke kalk word best gebruikt en welke niet?

Zeewierkalk of gewone kalk.
Calciumcarbonaat is het minst agressief hier.
Gebluste kalk.
Calciumhydroxide is ietwat agressiever.
Ongebluste kalk
Calciumoxide is eigenlijk te agressief en moet versneden gebruikt worden !

Tip: geef nooit een bekalking tijdens een bemesting, daar dit onherroepelijk leidt tot ammoniakgassen die schadelijk zijn voor de gezondheid.

Zet een overzetbril op en gebruik liefst rubberhandschoenen. (Veiligheid primeert boven alles).

Bekalk steeds bij een windstille dag, en liefst bij niet te warme dagen.
Beregenen mag altijd nadien, dit geeft een betere ‘inslag’ van de kalk in de bodem.

Bekalking geeft steeds een kruimelige bodem, wat beter is om te bewerken. Maakt ook de nodige voedingsstoffen los in de bodem. Daaruit volgt, teveel bekalking geeft snellere uitputting tot gevolg.

Voorzie kalkgiften best in het najaar, na het spitten bvb.(winterland leggen). (Mestgiften worden dan enkele maanden later toegediend hier).

Bij alkalische gronden wordt de pH omlaag gebracht door ‘zuurtoevoeging’, ofwel bladaarde.

Waarom bemesten?

We bemesten in de eerste plaats om de nodige voedingsstoffen in onze bodem te verkrijgen.
Maar tevens om genoeg lucht en vocht in de bodem te verkrijgen, voor een vlottere groei te bewerkstelligen. Het best is dan ook om een goede verteerde stalmest te gebruiken die totaal niet meer ruikt. Mest of kompost die nog ruikt, is nog niet volledig omgezet door de bacteriën en schimmels.(Aërobe en anaërobe).

Wanneer je deze toch zou gebruiken, gaan de bacteriën van je bodem deze wel omzetten. Maar dit zal spijtig genoeg ten koste gaan van de reeds bestaande nutriënten in je bodem, wat hier niet de bedoeling is.

Tip : probeer de kompost/mest licht onder te werken in de opperlaag met een spitvork of hark. De wormen zullen verder wel het nodige verrichten. Dit heeft als voordeel : aërobe bacteriën blijven zo in stand gehouden, wat resulteert in een beter ‘bodemleven’. (Toepassing voor gewone tuin).

Een nadeel : diepere structuren worden minder ‘los’. (vb.: moestuin : wortelen, schorseneren, witloof, haverwortel).

Bemesten met?:

Paardenmest of koeienmest (minstens 2 tot 3 jaar verteerde) vlas/stro. 100 kg geeft 10 tot 12 kg stabiele humus.
Kompost (Keuken en tuinafval) 100 Kg geeft 12 kg stabiele humus.

Champignonmest (meestal paardenmest met stro gemengd, waarop teelt v/d champignons werd toegepast) 100 Kg geeft 10 Kg stabiele humus. (Bevat veel zouten en weinig bruikbare voedingsstoffen).

Bladaarde (Meestal zuur)

Veenmos (Zuur), weinig ecologisch verantwoord
Groenbemesters: vb. : mosterd, rogge, granen, klaver, bladrammenas, gele lupine,… Aanvullende elementen kunnen makkelijk toegevoegd worden met korrel’mest’stof. (Stikstof, Kalium, Fosfor, Magnesium, Calcium, Zwavel,….). Nadeel soms: zorgt snel voor overbemesting. Snelle ophoping van zouten (geeft wortellekkage tot gevolg). Opletten in serres.(Opstapeling gebeurt hier nog sneller, geen uitregening hier)
Spoorelementen : ijzer, mangaan, ….
Beendermeel: bevat veel stikstof en fosfaat
Bloedmeel: bevat veel stikstof en fosfaat Beter is deze toch ietwat achterwege te laten met de BSE toestanden. Daar er nog geen bewijs of uitsluitsel over gegeven werd qua toepassing.
Zeewiermeel: bevat veel stikstof en kaliumcarbonaat.
Kali: bevat stikstof en fosfaat en kaliumcarbonaat.
Houtasse: over ’t algemeen van berkenhout bevat vooral kaliumcarbonaat. Anorganische of scheikundige bemesting: bijsluiter altijd aandachtig lezen, omwille de hoge concentraties.

Alternatieve aanvullingen (beter uitgediept):

Lichte bemesting door middel van groenbemesters of vlinderbloemigen. Mosterd (of andere), word al eens aangeplant als
groenbemester. Zodra de plant een hoogte van 20 cm
heeft bereikt word deze ondergespit en als het ware

gecomposteerd. Deze onttrekken zeer weinig stikstof aan de bodem (voor de omzetting), daar de planten geen sterke vezels bevatten. Op deze manier verkrijg je een gesloten kringloop, daar alle nutriënten terug in de bodem komen. Wat in een moestuin anders niet het geval is, daar de groenten worden geconsumeerd en niet gecomposteerd.

Soms ook worden vlinderbloemigen geteeld. Deze laten stikstofknolletjes achter in de bodem. Ze worden aangemaakt door de plant ondergronds, en dit in samenhang met bacteriën die in ‘symbiose’ leven met deze. (Stikstofbinding vanuit de lucht die gebonden word). Wanneer je dan een aanplanting doet binnen de 6 maanden, kan je deze N2 knolletjes benutten als ‘meststof’.

Aanvullers zoals plantengier kunnen het hele jaar door gebruikt worden. Hoe maken we plantengier?:

We nemen hiervoor een groot vat, en doen hierin de planten. (Smeerwortel, Brandnetel, Heermoes,….). En vullen dan aan met regenwater, tot alles goed onderstaat. (Regenwater = minder kalkrijk). Bovenop het vat leggen we een luchtdoorlatende gaas om dieren en insecten te weren. Vervolgens begint er schuim te vormen door de gisting, en komen er geuren vrij die te onderdrukken zijn door gesteentemeel toe te voegen. Gesteentemeel bind de N2 en geuren namelijk. Na een 2 tal weken is de gier klaar om te zeven (linnen doek), en kan dan in een verdunning gebruikt worden voor de gieter. Let op : dit is wel een aanvullende voeding, en geen complete meststof.

Algemene beknopte uitleg over elementen die de grond opwaarderen:

Vinasse extracten worden geëxtraheerd uit bietenpulp bevat veel Kaliumsulfaat (Bioteelt).
Patentkali Chemisch Kalizout 30 % Kali + 10 % Magnesium.
Houtasse Natuurlijke verbranding 30 % Calcium + 5 % Magnesium.

Kieseriet bijproduct 25 % Magnesium + Magnesiumsulfaat.
Serpentijn Blauw mineraal Bevat enkel Magnesium 40 % (bevat zware metalen) ?
Dolomiet Bij lage pH Bodem met Magnesiumtekort 20 % Magnesium. Lavameel Silicaten, rijk aan Magnesium 10 % Moeilijk afbreekbaar. Kalkmergel Calciumcarbonaat met zachte werking Voor lichtere bodems. Zeewierkalk: pH verhogende kalkmeststof 5 % Magnesium.
Basaltmeel: Gemalen vulkanisch gesteente 45 % Silicium pH verhogend. Bentoniet: kleimineralen. Voor binden van geuren. Geen echte voedingswaarden. Houdt wel beter de vochthuishouding intact!
Thomasslakkenmeel Industrieel oxidatieproces met als verbinding fosfaathoudend ijzererts en kalk Vermalen 18 % Fosfaat, Kalk, Magnesium,… Goed voor zuurdere gronden.
Bloedmeel Gedroogd bloed 12 % Stikstof Te hoge dosis leid tot nitraatopstapeling.
Beendermeel Restproduct industrie slachtafval 5 % Stikstof + 15 % Fosfor Hoornmeel Gemalen hoornen 13 % Stikstof Traag afbraakproces Duur. Haarmeel Gemalen haar 14 % Stikstof Traag afbraakproces.
Gedroogde korrel meststof 2 % Stikstof, 1 % Fosfor, 2.5 % Kalium. 

Bron : http://www.tuinadvies.be

Paardenmest is een uitstekende bodemverbeteraar, want het is rijk aan vezels en structuur. Toch heeft het een ‘slechte’ naam. Zeer ‘verse’ paardenmest zit namelijk bomvol onkruidzaden. Lastig als u uw sier- of moestuin ermee wilt bemesten. Gelukkig is voor dit onkruidprobleem een goede oplossing.

Composteren tegen onkruidzaden
Paarden eten veel stengelig ruwvoer, wat slechts één maal door het maag-darm kanaal wordt geleid. Zij herkauwen niet, zoals schapen, geiten of koeien waardoor het voer vrij snel weer uit het dier komt. Zaden van allerlei planten overleven deze gang door het paard en kunnen, nadat ze door het paard zijn uitgepoept, nog ontkiemen. Verse paardenmest zit daardoor boordevol onkruidzaden en is dus niet aan te bevelen voor de sier- of moestuin.
Door uw paardenmest echter te composteren wordt dit probleem opgelost. Door de warmte die vrij komt bij het composteren worden de zaden onschadelijk gemaakt. Uit Engels onderzoek is gebleken dat bij een temperatuur van 80 graden Celsius de meeste onkruidzaden gedood worden. Om deze temperatuur in je composthoop te krijgen is het volgende nodig.


Wat moet je doen

Om een composthoop te krijgen waarin voldoende warmte kan ontstaan, moet hij voldoen aan een aantal eisen. Ten eerste moet hij groot genoeg zijn, minimaal een meter hoog, de bodem moet in contact staan met de ondergrond (geen betonvloer dus), opgebouwd zijn uit verschillende lagen en er moet voldoende lucht in de hoop kunnen komen.

De composthoop moet minstens 2 x 2 meter zijn en kan pas voldoende warmte ontwikkelen als hij minimaal een meter hoog is. Om voldoende hoogte te krijgen zet u een hekwerk van stevig gaas (of planken) van ongeveer 1,5 meter hoog. Gebruik op de hoeken stevige palen zodat het hekwerk niet omvalt naarmate de compost hoger komt te liggen. De bodem van de composthoop moet in contact staan met de ondergrond zodat wormen en bacteriën vanuit de bodem in de hoop kunnen komen.

Composthoop opbouwen in verschillende lagen
Om het beste resultaat te krijgen wordt de hoop opgebouwd uit verschillende lagen.
1. Paardenmest zonder stro. Begin met een gelijkmatige laag paardenmest (zonder stro) van ongeveer 15 centimeter. Dit moet niet te droog, maar ook niet te nat zijn. Als het te droog is, maak het dan vochtig met water.
2. Strooi over de mest een meststof met voldoende stikstof (compostversneller).Een tekort aan stikstof vertraagt het composteringsproces. (Als u in het bezit bent van stro uit de paardenstal, waarin de urine van het paard is opgenomen, dan is de compostversneller niet nodig. Het stikstof uit de urine komt dan in de composthoop en heft het stikstof tekort uit de mest op.)

3. Groenafval. De volgende laag bestaat uit groenafval, bij voorkeur stro uit de paardenstal of oud maaisel. Bladeren, snoeiafval of oud hooi kunnen hier ook voor worden gebruikt. De groene laag moet minimaal 50% van de gehele bult zijn.
4. Laag paardenmest. Over het groen komt weer een laag paardenmest (zonder stro) met eventueel compostversneller. Let op voldoende vocht in de mest. Stamp de paardenmest niet aan. Er moet voldoende lucht in de bult kunnen komen om de bacteriën hun werk te laten doen. Voor extra lucht in het hart van de bult kunt u met een ijzeren staaf drie of vier gaten maken tot op de bodem. Een PVC-buis met daarin gaten geboord kunt u rechtop in de bult zetten.
5. Top laag. Als laatste laag sluit u de composthoop af met oude zakken of een laagje vochtige aarde. Deze laag houdt de warmte vast en behoedt de composthoop voor uitdroging of juist te veel vocht van de regen. Te weinig vocht vertraagt het proces van composteren, te veel vocht houdt de temperatuur te laag.


Vochtcontrole voor het beste resultaat

Na een aantal dagen tot een week moet het proces in het hart van de bult op gang komen. Wordt de hoop niet warm genoeg, dan ligt dit aan de hoeveelheid stikstof in de bult, de vochtigheid of aan beide. Hou de vochtigheid in de gaten. Bij veel regen, knijp de zakken van de bovenste laag uit. Bij te weinig vocht, maak de zakken vochtiger.

Na een week of acht is het hart van de composthoop voldoende warm geweest en zijn de onkruidzaden gedood. De compost kan gebruikt worden. De buitenkant van de bult is nog niet zo ver.

Schep de bruikbare compost uit de bult en breng de buitenste compost naar het hart van de bult. Nieuwe mest en groen kan de buitenkant aanvullen. Kijk goed naar de vochtigheid in de bult. Maak weer ventilatiegaten en dek het geheel weer af.

Hoe langer het proces gaande blijft hoe beter het resultaat. En het resultaat is een prima compost, geschikt voor de sier- en moestuin.

 

Stap 1: een teelplan maken

Kijk eerst eens wat je allemaal lekker vind en maak een lijstje. Wie weinig ervaring heeft, kan beter eenvoudig beginnen met worteltjes, prei, uien, tomaten, sla, aardbeien en boontjes bijvoorbeeld.
Er zijn genoeg eenvoudige groenten om uit te kiezen.
Verbouw ook niet teveel van hetzelfde. Beter een paar kooltjes die naar meer smaken dan een heleboel die je al snel beu bent.

Maak vervolgens een plattegrondje van je tuinoppervlak en plan waar de paadjes moeten lopen. Dit is geheel naar eigen voorkeur. Zelf denk ik dat 1 middenpad en 4 zijpaadjes per kant geen overbodige luxe zal zijn bij een ruimte van 4.5 bij 22 meter, maar dat zal nog in de praktijk moeten blijken. Voorkom in elk geval dat je voortdurend moet rekken om ergens bij te kunnen.

Hoe ga je nu je groentes over die stukken verdelen? Er zijn sowieso drie dingen om rekening mee te houden. De meeste groentes moeten elk jaar op een andere plaats, je moet ze dus elk jaar een stukje opschuiven (wisselteelt). Daarnaast kun je ze ook nog indelen naar voedselbehoefte en zijn er ook nog eens soorten die je juist wel of juist niet naast elkaar moet zetten. Praktisch gezien werkt het volgende goed:

Groentes zijn grofweg onder te verdelen in 3 groepen die elk hun eigen behoefte aan mest en eventueel kalk hebben. De indeling is:

  • veel voedsel nodig: kool, augurken, tomaten, aardappels, prei en aardbeien
  • minder nodig: rode biet, selderij, rettich, radijs, sla-soorten, spinazie, uien, bieslook, rammenas, eenjarige sierbloemen
  • geen extra mest nodig: erwten, bonen en kruiden

Je kunt ze volgens deze indeling over 3 stukken grond verdelen. Soms werkt men ook wel met vier stukken waarbij de aardappelen en aardbeien apart worden neergezet.
Je kunt dan in elk geval beginnen met de eerste groep wat extra mest te geven en de erwten en bonen juist te ontzien. Het volgende jaar schuif je elke groep door naar een ander stuk van je grond. Zie voor uitgebreidere info hoe werkt wisselteelt?.

Binnen elk van de drie groepen kun je ook nog eens bekijken welke groentes goed samen gaan. Zo kun je beter geen peterselie naast sla zetten want ze geven stoffen af waar de andere plant last van heeft.
Er zijn ook soorten die elkaar juist positief beïnvloeden, bijvoorbeeld ui en wortel. Ze houden elkaars parasieten uit de buurt, en dat is mooi meegenomen. Onder het kopje Welke groenten en kruiden passen goed bij elkaar? vind je meer info hierover.

De indeling in drie groepen is wel nodig maar je hoeft je er niet altijd strikt aan te houden. Men zet bijvoorbeeld weleens sla tussen de stokken van de snijbonen. Zo benut je anders verloren ruimte en blijkbaar hebben deze twee soorten een positieve invloed op elkaar.
Toch is er wel een waarschuwing op zijn plaats: kool moet echt maar eens in de vier jaar op dezelfde plaats geteeld worden. Anders krijg je gegarandeerd last van knolvoet. Het is een schimmel waarvan de sporen jarenlang in de grond aanwezig blijven en die nauwelijks te bestrijden is. Je kunt dus beter niet her en der jonge koolplantjes zetten op leeggekomen plekken in augustus, al is dat nog zo verleidelijk. Ook aardappelziektes breken makkelijk uit als je geen wisselteelt toepast.

Heb je eenmaal een plan, ga dan gewoon uitproberen want door ervaring leer je het meest.

 

Stap2: moestuin grond voorbereiden en zaaien

De grond moet in elk geval bewerkt worden voor je kunt zaaien: spitten, eventueel verbeteren, en bemesten.

Zware klei is slecht doorlatend. Je kunt de grond het beste in het late najaar omspitten. De kleikluiten kunnen dan “invriezen” en zo wordt de grond wat verlucht. Met tuinturf, potgrond of bladcompost kan zware kleigrond wat verbeterd maar dan moet het wel gelijk mee ondergespit worden.
Kleigrond is van nature vrij vruchtbaar. Met stalmest of compost kan men het voedingsgehalte op peil houden. Zelf gebruikte ik droge mestkorrels en dat ging ook prima.

Zandgrond heeft een losse structuur en verliest snel water en voedingsstoffen. Het humusgehalte moet worden verhoogd en dat bereik je het beste door (oude) stalmest of zelfgemaakte compost toe te voegen. Ook een extra kalkgift kan nodig zijn, maar geef dit niet tegelijk met de mest. Het beste kun je in het najaar of heel vroege voorjaar bemesten en een tijdje later wat kalk strooien.

Hier zie je ook al het belang van je planning. Als je weet waar je de bonen en erwten zet, dan weet je ook dat je daar niet teveel mest moet strooien. Groentes die veel voedsel nodig hebben, kun je juist van wat extra’s voorzien.
Wat kalk betreft: geef het niet aan aardappels, want die houden juist van enigszins zure grond. Kool daarentegen mag je wel wat kalk geven, want dat gaat de ziekte knolvoet tegen.

Tot zover de grond. Hoe gaat het met zaaien?

Het begint natuurlijk met zaad kopen. Je kunt terecht in tuincentra maar ook op het internet zijn enkele goede leveranciers te vinden. Vaak kun je ook samen met anderen via het moestuincomplex bestellen en dat kan best wat schelen in de prijs.

Je kunt sommige groenten al vanaf februari/maart zaaien in kleine kweekbakjes. Op de pakjes staat duidelijk per soort vermeld wanneer je daarmee kunt beginnen.
Kweekbakjes kun je kopen bij tuincentra maar je kunt ook een kistje of ander bakje gebruiken. Vul het met een laagje potgrond en maak de grond goed vochtig. Zaai daarna volgens de aanwijzingen op de verpakking en doe er nog een klein laagje potgrond van ongeveer 1 cm op. Dek het geheel dan af met huishoudfolie waarin een paar piepkleine gaatjes zitten. Het folie zorgt ervoor dat het klimaat daarbinnen vochtig en warm blijft. Controleer of het niet te droog wordt en geef eventueel wat water met de plantenspuit bij.
Zodra de eerste blaadjes bovenkomen, kan het folie eraf en kun je de plantjes wat koeler gaan zetten. Dit laatste is nodig omdat ze anders lange, dunne scheuten vormen. Al snel kunnen de plantjes verpot worden in kleine bloempotjes en verder worden afgehard. Als de vorst uit de grond is (april/mei) kunnen ze de tuin in.

Zaaien in de vollegrond gaat ook prima, maar dan moet je vaak nog even wachten tot het warm genoeg is. Ook hierover vindt je aanwijzingen op de verpakking.
Er zijn mensen die werken met plastic tunnels, en zo toch eerder in de vollegrond kunnen zaaien. De ventilatie laat echter te wensen over en je kunt er ook niet zo goed bij. De vochtigheid trekt veel slakken aan die alles opvreten. Voorlopig begin ik hier zelf niet aan, gezien de vele (naakt)slakken die ik afgelopen zomer bij mijn kolen vandaan moest houden.

Binnenkort ga ik wel zaaien in een koude bak. Ik ga er zelf één bouwen en hoop hier veel plantjes op te kweken die ik dan in de moestuin kan uitzetten. Ik hoop je hier binnenkort meer over te kunnen vertellen…

Stap3: gewassen onderhouden en beschermen

Hier komen ongetwijfeld nog veel tips bij als de ervaring groeit. Voorlopig kunnen we al de volgende dingen aanraden:

Als je in de vollegrond zaait, bescherm de zaden dan met een net, anders eten de vogels ze zeker op. Je kunt hiervoor handige boogframes kopen om het net over te spannen.
Worden de plantjes groter, dan is het gevaar van vogelvraat weer wat geweken en kunnen de netten er tijdelijk af. Als de planten bloeien, moeten de insecten er wel bij kunnen om voor de bestuiving te zorgen.
Komen er eenmaal vruchten aan, dan zijn de netten zeker weer nodig anders houdt je geen oogst over. Dit geldt vooral voor aardbeien en peulvruchten. Worteltjes kun je met netten beschermen tegen de wortelvlieg.

Veel voorkomende belagers zijn: luizen, slakken en witte vlieg. Meeldauw kan ook een probleem zijn, bijvoorbeeld bij courgettes.
In het algemeen geldt: tijdig bestrijden voorkomt veel ellende. Controleer je plantjes dus heel regelmatig want je wilt geen plaag ontketenen.

Bij de bestrijding van ziekten en plagen zul je misschien niet altijd ontkomen aan bestrijdingsmiddelen. Biologische middelen zoals brandnetelgier tegen luizen helpen vaak maar even en je zult ze vaak moeten herhalen. Zelf probeer ik altijd de conditie van de plant zo optimaal mogelijk te houden door de juiste omgeving en bemesting en tijdig ingrijpen als het mis gaat.

Bij mijn eigen moestuin zal ik de komende tijd wel wat probleempjes tegenkomen en ik zal ze dan ook bespreken. Verder kun je op veel tuinsites informatie over ziekten en plagen vinden en natuurlijk kun je van ervaren tuinders ook veel opsteken.

Tot slot een paar tips:

  • denk om de netten, het maakt echt veel uit
  • ik kreeg het advies om jonge tomatenplantjes te behandelen met een middel tegen aardappelziekte. Dit zou voetrot tegen gaan. Aangezien aardappels en tomaten tot dezelfde plantenfamilie horen, namelijk de nachtschaden, leek me dat geen slecht idee.
  • meeldauw bij courgettes komt veel voor. Verwijder de aangetaste bladeren en houd de planten in goede conditie. Zorg voor een goede bemesting (ze vragen veel voedsel) en laat de courgettes niet te groot worden (dat vergt veel van de plant).
  • Last van slakken? Biologische slakkenkorrels van Eco-style, verkrijgbaar bij de Boerenbond, zijn ongevaarlijk voor vogels en helpen echt. Het ziet eruit als blauwe hagelslag, dus oppassen met kids.
  • Onkruid: handmatig verwijderen en blijven volhouden, vanaf het begin tot het eind. Chemische middelen zijn hier niet aan te raden. Je richt er op den duur veel schade mee aan! Gewoon zo goed mogelijk bijhouden is de beste remedie hier.

Stap 4: gewassen oogsten en bewaren

Op pakjes zaad staat meestal aangegeven in welke maanden er geoogst kan worden. Zo heb je al een indicatie over de oogsttijd. In grote lijnen gebeurt het ongeveer zo:

Groenten die je in februari/maart zaait onder glas of binnen, zijn o.a. tomaten, rode pepers en paprika’s. Deze planten hebben een groot deel van voorjaar en zomer nodig om te groeien en de vruchten worden half rijp of rijp geoogst. In oktober kun je de laatste oogst binnen halen en daarna is het te koud geworden.

Andere planten kun je gedurende voorjaar en zomer meerdere keren inzaaien en zo kun je de oogst wat spreiden: worteltjes, radijsjes, boontjes en bietjes. Meestal wordt de laatste oogst van deze groenten in oktober/november gedaan. De boontjes moet je niet te dik laten worden, ze zijn veel malser als ze kleiner zijn. Dat geldt overigens ook voor bietjes. Voordat het echt gaat vriezen, moeten ook de wortelgroenten geoogst worden. Je kunt wortels en bietjes goed bewaren in een emmer zand.

Voor kool gelden weer andere richtlijnen. Broccoli en zomerbloemkool moet je tijdig oogsten, anders gaan ze doorschieten en is de oogst verloren. Broccoli maakt na de oogst nog kleine zijscheuten en ook die kun je oogsten.
Er zijn koolsoorten zoals zomer rode kool en chinese kool, die niet vorstbestendig zijn. Die moet je voor de invallende vorst dus uit de grond halen. Bewaren kan even in kranten of door ze met wortels en al op zijn kop in de schuur te hangen, maar in de regel moet je ze niet te lang bewaren. Boerenkool, winterbloemkool en spruitjes kunnen de vorst wel aan. Boerenkool en spruitjes worden er zelfs zoeter en dus lekkerder door.

Uien worden altijd geoogst zodra het loof “verstrijkt”, dus als het omknakt en slap gaat hangen. Je kunt ze in een ruime doos buiten, uit de regen, wat laten opdrogen en vervolgens op een koele en donkere plaats, in de schuur bijvoorbeeld, bewaren. Ze blijven zo maanden goed.
Bij prei heb je weer verschillende soorten. De zomerprei moet aan het eind van het seizoen geoogst worden terwijl de winterprei gewoon kan blijven staan tot je hem nodig hebt.

Pompoenen en sierkalebasjes worden aan het eind van het seizoen geoogst. Je kunt ze vaak nog maanden bewaren.
Courgetten kun je vanaf de zomer voortdurend oogsten zodra ze groot genoeg zijn. Ze groeien snel en voor je het weet, heb je er teveel. Laat ze niet te groot worden, dan smaken ze minder. In oktober sterven de planten vanzelf en kun je de laatste oogst binnenhalen.

De meeste bladgroenten zoals sla, andijvie en spinazie, zijn niet vorstbestendig. Zaaien tot in juli kan nog, daarna is het oogsten voor de vorst invalt en dan kun je in het vroege voorjaar weer zaaien.

Wat aardappels betreft: je kunt vroege of late soorten kopen, maar allen moeten voor de vorst de grond uit. Je kunt ze eventueel behandelen met een middel tegen het schieten en bewaren op een koele, donkere plek.

Een flinke vriezer kun je goed gebruiken, want je zult aardig wat tijd bezig zijn met groenten schoonmaken en invriezen of fruit tot jam verwerken. Ook groenten in het zuur zetten is leuk om te doen.

Welke groenten en kruiden passen goed bij elkaar?

In de biologische moestuin probeert men vooral te profiteren van de positieve invloed die bepaalde groenten en kruiden op elkaar hebben. Je kunt er je voordeel mee doen. Planten die het goed doen naast elkaar, zijn:

  • wortel en ui
  • tomaat en wortel
  • tomaat en basilicum
  • rode biet en ui
  • kropsla en ui
  • paprika en ui (lijkt me wel iets voor in een kas!)
  • peterselie en tomaat
  • afrikaantjes met broccoli, sla of prei
  • selderij met stambonen, tomaat of herfstwortels
  • afrikaantjes naast herfstwortels
  • salie naast bonen
  • bonenkruid bij bonen weert bladluis
  • dille tussen wortels (weert wortelvlieg)
  • calendula naast erwten, tomaat, augurk of rode biet
  • witte kool en ui

Borago (die in onze siertuin helemaal verwilderd is) schijnt veel schadelijke insecten te weren. Ook thijm en lavendel schijnen luizen op een afstand te houden.

Welke groenten kun je beter niet combineren?

  • sla en peterselie
  • prei naast wortel, tomaat of rode biet
  • ui en prei naast bonen en erwten
  • pompoen naast aardappels
  • knoflook en aardbeien

Wil je toch bietjes en worteltjes naast elkaar zetten, dan kun je bijvoorbeeld een klein rijtje dille ertussen zaaien, dat werkt prima.

Hoe werkt wisselteelt?

Groenten moeten elk jaar ergens anders gezet worden. Je put anders de grond uit en trekt gemakkelijk ziekten en plagen aan. In het geval van aardappels en kool houdt men bij sommige moestuincomplexen per jaar bij waar je ze zet.
Kool mag zelfs maar 1 keer in de 4 jaar op dezelfde plek staan.

In de praktijk betekent het, dat je een plan maakt waarbij je de tuin in 3 stukken verdeelt en ook de groentesoorten in 3 groepen. Het jaar daarop schuif je de groenten 1 stuk verder op. Het ziet er dan zo uit:

tuinstuk: eerste – tweede – derde 
jaar 1: groep 1 – groep 2 – groep 3
jaar 2: groep 2 – groep 3 – groep 1
jaar 3: groep 3 – groep 1 – groep 2

Ik hoor je bijna denken: hoe zit het dan met die kool? Dit schema is gebaseerd op 3 jaar, niet op 4. Het lijkt me dat je vooral moet opletten dat je de kool niet op precies dezelfde plek zet. Bewaar daarom je aantekeningen goed.

Je kunt ook werken met 4 stukken tuin zoals gebeurt ook bij de biologisch-dynamische methode.
Je gebruikt dan hetzelfde wisselsysteem alleen laat je het stuk waar de bonen en erwten hebben gestaan, het jaar daarop braak liggen.
De grond is dan toch wel behoorlijk uitgeput. Gedurende het vierde jaar moet je dan groenbemesters inzaaien zoals wikke, klaver of phaecelia. Die spit je onder vlak voor de bloei, waarna de grond weer voldoende bemest moet zijn voor het volgende jaar.
Dit betekent dus dat je elk jaar 3 van de 4 stukken vol groentes hebt staan en 1 stuk met groenbemesters.

Je kunt je moestuin opdelen in zoveel percelen als je handig vindt, maar wisselteelt is in elk geval nodig om de tuin gezond te houden.

Bron: http://www.vrolijketuinier.nl/

Of je je compostbakken vervaardigt uit plastic elementen, uit betonnen platen of uit houten planken heeft weinig of geen invloed op het composteringsproces. Bakken in hout komen het meest voor. Iedere doe-het-zelver kan er gemakkelijk mee overweg. Ze integreren zich goed in de tuin, isoleren prima en vaak volstaat wat recyclagemateriaal om ze te construeren. Het grote minpunt van hout is dat het rot. Al moet dat niet overdreven worden. Een compostbak van stevig hout gaat gemakkelijk vijf jaar mee. Zelfs dan zal je hooguit enkele palen en de onderste planken moeten vervangen. Als je ze met een (milieuvriendelijk) houtbeschermingsmiddel behandelt, houden ze het nog een paar jaartjes extra uit. Vaak leveren afgedankte transportpaletten het basismateriaal. De kwaliteit ervan kan heel erg verschillen. Groot voordeel is dat ze gratis te verkrijgen zijn. Regelmatig vervangen vormt dan ook geen probleem.Om precies te weten hoe groot je de compostbakken moet maken, zou je een vrij goed idee moeten hebben van de hoeveelheid keuken- en vooral tuinafval die je jaarlijks verzamelt. Hou er rekening mee dat dit volume erg slinkt in de loop van het composteringproces.

Met drie bakken van 1 x 1 m grondoppervlak kom je al heel ver. Beperk ook de hoogte tot 1m. Het totale volume van de drie bakken bedraagt dan 3 m3. Grotere bakken zijn niet erg praktisch en het omzetten wordt een fysiek lastig karwei.
Je kan de afmetingen van de bakken ook beperken. Bedenk wel dat een bak van 0,8 x 0,8 x 0,8m slechts een volume heeft van een halve kubieke meter (500 liter).

Let bij de constructie vooral op het volgende:

  • Maak de voorkant verwijderbaar.
    Het laat je toe om het composterende materiaal gemakkelijk uit de bakken te halen om het om te zetten. Omzetten is essentieel bij het composteren.
  • Gebruik brede planken. Laat smalle spleten.
    De (houten) planken isoleren de compost tegen afkoelen en uitdrogen. De spleten ertussen waarborgen de toegang van zuurstofrijke lucht in het materiaal. De breedte van die openingen hoeft niet meer dan 1 à 2 cm te bedragen. Als de spleten breder zijn dan 5 cm droogt de inhoud van de bak te gemakkelijk uit. Wie transportpaletten gebruikt, kan de soms grote opening tussen de planken beperken door er een extra plank tussen te nagelen.
  • Geef je bak een dak
    (Half)rijpe compost slorpt gemakkelijk en veel water op. Bescherm daarom de compost in de laatste bak(ken) met een dak. Daaronder kan de compost na de laatste omzetting en beschut tegen neerslag, overtollig vocht verdampen.
  • Plaats je compostbakken op een luchtige, droge en (half)beschaduwde plek in je tuin. Zet hem op de volle grond, nooit op een verharding.
    Compost die met zijn voeten in het water staat zal niet goed werken. Ingraven (zelfs deels) is eveneens uit den boze.
  • Gun jezelf ook de nodige werkruimte om te zeven, materiaal aan- en compost af te voerej met de kruiwagen. Verstop je compostbakken niet op een onbereikbare plaats.

Composterend van bak naar bak

Bak 1
Reserveer je eerste bak voor de aanvoer van vers keuken- en tuinafval. Hoe beter de vermenging van groen en bruin materiaal, hoe beter de start van de compostering. Enkele dagen na iedere nieuwe toevoeging, is het volume alweer geslonken. Een optimale vermenging is in de praktijk niet altijd mogelijk. In de zomer heb je immers een overmaat aan gras, in de herfst zijn het de bladeren en bij het scheren van de hagen voer je de ene vracht scheersel na de andere aan.

Onvermijdelijk ontstaat in bak 1 dus een structuur van opeengepakte lagen waarbinnen de leefomstandigheden voor de afbraakorganismen alles behalve optimaal zijn. Grijp je niet in dan zal het jaren duren vooraleer je hieruit (misschien) compost zal oogsten.
Na enkele maanden aanvoer van keuken- en tuinafval raakt je eerste bak zo vol dat er echt niets meer bij kan.
Laat je er niet toe verleiden om dan maar de tweede bak te gaan vullen!
Omzetten is de boodschap.

Bak 2
De tweede bak is gereserveerd voor het resultaat van de eerste omzetting. Met de riek trek je de inhoud van de eerste bak duchtig uiteen. Dat lukt best als je de voorkant van de bak eerst hebt verwijderd. Krab alles duchtig uiteen, vermeng en verlucht én werp het resultaat in de tweede bak.

Zelfs als je bij het vullen van de bak aandacht had voor een goede vermenging van bruin en groen materiaal, zal je merken dat het materiaal heel erg heterogeen is. De buitenkant is uitgedroogd door de wind, binnenin is misschien door broei een droge kern ontstaan en plaatselijk is het materiaal na een hevige regenbui misschien erg plakkerig geworden.

Deze eerste omzetting is daarom het moment bij uitstek om je compost te contoleren en om bij te sturen. Voeg structuurmateriaal toe als de vuisttest uitwijst dat het te nat is, vernevel er water over in geval dat het te droog is.
Heb je het omzetten niet te lang uitgesteld en was de vertering nog niet echt ver gevorderd dan mag je je kort nadien verwachten aan een fikse opstoot van het composteringsproces. Je merkt het aan de opwarming van de compost.  Een temperatuurstijging tot 50°C en meer is geen uitzondering. Mogelijks wordt het zo heet in je compost dat je je hand er niet kan in houden. Proficiat, je hebt de afbraakorganismen flink aan het werk gezet! Als je bij de eerste omzetting nog extra groen materiaal toevoegt en duchtig vermengt, zal dat de temperatuur alleen maar ten goede komen.

Bak 3
Is omzetten de eerste keer vooral een kwestie van mengen, dan ligt de nadruk bij de omzetting naar de derde bak vooral op het verluchten. Het composteringsproces heeft ondertussen een hele weg afgelegd. Ook het structuurmateriaal is door de afbraakorganismen al aangevreten. De compost heeft zich “gezet” en een extra injectie van zuurstof is wenselijk. Voer de tweede omzetting uit, niet meer dan zes maanden (drie is nog beter) na de eerste en enkele maanden voor je de compost wil gebruiken.
Dek de derde bak zeker af. In deze laatste fase wordt je compost best een stuk droger. Het zijn vooral schimmels die voor de afwerking zullen zorgen. In tegenstelling tot de bacteriën uit de beginfase werken de schimmels beter in iets droger materiaal. Ook het afrijpen en de bijhorende  nitrificatie  – omzetting van ammonium naar nitraat – verloopt er vlotter. Drogere compost heeft een meer neutrale zuurgraad (pH) en krijgt zijn gegeerde kruimelstructuur en typische bosgrondgeur. Ook voor jezelf is een droog eindproduct een stuk gemakkelijker. Droge compost is lichter en laat zich beter opscheppen, zeven en uitspreiden over de bodem.
Een systeem van opeenvolgende bakken en omzettingen houdt in dat je de ene bak pas kan omzetten als de volgende leeg is. Zit er in bak 3 rijpe compost dan zal je die eerst moeten gebruiken voor je opnieuw kan omzetten. Het wordt soms wat schipperen en organiseren om compostgebruik, omzetten en ruimte creëren voor alweer nieuwe plantenresten op elkaar af te stemmen. De schakels sluiten is nu eenmaal de uitdaging die hoort bij het streven naar kringlopen in je tuin.

Enkele andere systemen
De nadruk ligt vooral op het composteren in een vat of een bak. Er bestaan ook andere recipiënten waarin je goede compost kan maken. En je kan ook gewoon op een hoop composteren.

Compostsilo’s
Net zoals compostvaten zijn compostsilo’s uit plastic gemaakt. Compostsilo’s hebben een iets groter volume dan een compostvat en ze zijn verkrijgbaar in de handel. De luchttoevoer gebeurt via openingen in de zijwand. Een beluchtingsstok wordt meestal niet bijgeleverd. Om de luchttoevoer te verzekeren kan je de compostsilo op een palet plaatsen. Als je bij het gebruik van een compostsilo de basisprincipes van het composteren respecteert, zal het verteringsproces even goed verlopen als in een vat of een bak. De kwaliteit van het eindproduct zal aan je verwachtingen voldoen.

Draadconstructies
Een aantal merken bieden open draadconstructies aan als compostbak. Een goede verluchting is op het eerste zicht een pluspunt. Bij het gebruik zal je echter snel merken dat de buitenste 10 – 15 cm van de compost uitdroogt. Het aanbrengen van een geperforeerde plasticfolie kan een oplossing bieden of je kan langs de windzijde een karton plaatsen. Tegen de tijd dat dit karton zelf verteerd is, is ook de compost aan omzetten toe.
Draadconstructies zijn vooral geschikt om bruin materiaal in op te slaan: droge herfstbladeren, houtsnippers enz. die je stelselmatig bijmengt bij het grasmaaisel en keukenafval in je vat of bak.

De composthoop
De composthoop is de oudste manier van composteren. Het lijdt geen twijfel dat het composteren vele duizenden jaren geleden is ontstaan uit het inzicht dat planten beter groeiden op de plaats waar men afval op een hoop wierp.

Wees echter niet zo “primitief” om al je afval zomaar losweg op een hoop te verzamelen en te wachten tot de geschiedenis zijn werk doet. Het eindresultaat zal lang op zich laten wachten en van bedenkelijke kwaliteit zijn. Het is precies de bedenkelijke kwaliteit van het product – compost kan je het eigenlijk niet noemen – uit deze mestputten, messings en ongecontroleerde hopen, die compost bij velen een slechte reputatie heeft bezorgd: vol onkruidzaad, stinkend, voedselarm, lokmiddel voor ongedierte en noem maar op.
Niets van dat alles in een echte composthoop die je met evenveel zorg opzet en die je net als een compostvat of een compostbak gewetensvol opvolgt. De compostpioniers die de voorbije decennia het composteren tot kunst én wetenschap hebben verheven, werkten allen met hopen. Ook de professionele composteerders die vandaag ons GFT- en groenafval verwerken tot hoogwaardige kwaliteitscompost doen dat op hopen.
Waarom dan niet steeds op hopen werken? Compostvaten en –bakken zijn er gekomen omdat een huisgezin wekelijks doorgaans niet meer dan een paar emmertjes of enkele kruiwagens keuken- en tuinafval verzamelt. Dat is te weinig materiaal om er een goedwerkende composthoop mee op te zetten. De kleine hoeveelheden zijn onvoldoende om in open lucht een temperatuurstijging te veroorzaken. Ze trekken ongedierte aan en de voedingsstoffen worden bij iedere regenbui verder uitgespoeld.

Een composthoop opzetten doe je beter in één keer. Je maakt hem voldoende groot zodat er warmteontwikkeling plaatsvindt. Je mengt de verschillende materialen zodanig met elkaar dat overal in de hoop een correcte vochtigheid en luchtigheid heersen. Je kiest voor een composthoop als je meerdere kubieke meter materiaal in één keer te verwerken hebt. Een massa herfstbladeren, een berg versnipperd snoeihout en enkele kruiwagens stalmest bijvoorbeeld is te veel voor je bakkensysteem. Je verwekt alles tot een paar kubieke meter prima compost die goed van pas komt als je een grote groentetuin hebt.

U kunt afval van fruit en groenten gebruiken, aardappelschillen, gedroogde snijbloemen en een heleboel andere plantaardige resten. Gebruik echter nooit gekookte groenten of aardappelen. Denk er bij warm weer aan regelmatig met een gieter of tuinslang wat water bovenaan uw compostvat toe te voegen, want eenmaal opgedroogd stopt het composteringsproces onverbiddelijk.

Dit is een alfabetische opsomming van composteerbare stoffen: aardappelschillen, afval van groenten en fruit, biologisch afbreekbare verpakkingen, bladeren, dennennaalden, doppen van noten, eierschalen, haagscheersel, koffiefilters, hooi, kamerplanten, koffiegruis, onkruid, papier van de keukenrol (indien niet vervuild met vet, verf of detergenten), schaafkrullen van zuiver, niet geïmpregneerd hout, snijbloemen, stro, takjes, theebladeren, theezakjes,

Afbeelding

Afbeelding

Afbeelding

Afbeelding

Afbeelding

Afbeelding